Information overload: de nieuwe kwaal van deze tijd?

Uit voorgaande blogs is reeds gebleken dat de komst van de nieuwe media veel veranderd heeft in onze wereld. Nieuwe technologieën ontwikkelen zich aan een razendsnel tempo. Het aanbod aan technologische nieuwigheden en mogelijkheden wordt steeds groter en moeilijker bij te houden.

Het internet: een overweldigende bron van informatie

Één van de dingen die de komst van het internet aanzienlijk heeft doen toenemen is de informatiehoeveelheid. Dankzij het internet staat er de dag van vandaag heel veel informatie  makkelijk en snel ter onze beschikking. Volgens velen hebben het internet en de nieuwe media dan ook gezorgd voor een information overload, een te veel aan informatie. In zijn artikel ‘Information overload: A recurring fear’, verwijst Matt Novak bijvoorbeeld naar auteurs als Alvin Toffler en Ben Bagdikian, die beiden de impact van nieuwe media en het teveel aan informatie in onze huidige samenleving bespreken.

Alvin Toffler is de auteur van het boek Future Shock uit 1970, waarin de (toekomstige) impact van de snelle ontwikkeling van nieuwe technologieën besproken wordt. Toffler definieert in zijn boek een fenomeen dat hij future shock noemt: “the dizzying disorientation brought on by the premature arrival of the future.” Toffler schreef ook dat dit wel eens de meest belangrijke kwaal of aandoening van de toekomst zou kunnen worden. In het boek bespreekt Toffler ook het fenomeen van information overload. Hij legt het effect van de vele nieuwe ontwikkelingen namelijk als volgt uit: “Just as the body cracks under the strain of environmental overstimulation, the ‘mind’ and its decision processes behave eratically when overloaded.”

Ben Badgikian schreef in 1971 een futuristisch essay waarin de onuitputtelijke mogelijkheden van nieuwe media als televisie en computer besproken worden. Bagdikian schreef in dit essay dat de vele nieuwe en snelle ontwikkelingen heftig zouden botsen met het vermogen van de menselijke geest om informatie te verwerken. Hij was daarom ook van mening dat “the disparity between the capacity of machines and the capacity of the human nervous system is not a small matter in the future of communications.” En inderdaad, het fenomeen van de information overload werd een veelbesproken thema.

Anderen, zoals Matt Novak zelf, wijzen er dan weer op dat een gevoel van overload bij het opduiken van nieuwe ontwikkelingen eigen is aan de mens: “Whether it is the arrival of books, TV channels or Twitter, data deluge fears have gripped every generation, it seems.” Novak ontkent hiermee niet dat de laatste jaren nieuwe ontwikkelingen zich steeds sneller en sneller hebben opgevolgd, maar hij is wel van mening dat men er niet noodzakelijk paniekerig op hoeft te reageren. Hij wijst er ook op dat, in het huidige brede aanbod aan (nieuwe) media, we onze mediaconsumptie nog steeds in eigen handen hebben. We kiezen zelf of we de televisie aan of uit zetten, of en wanneer we Twitter of Facebook gebruiken, enzovoort.

Een andere interessante mening wordt vermeld in het artikel ‘Are we on information overload?’ van Thomas Rogers. Daarin wordt verwezen naar het volgende citaat van Clay Shirky: “There’s no such thing as information overload – only filter failure.” Shirky suggereert dus dat het probleem niet zozeer de grote hoeveelheid aan informatie beschikbaar op het internet is, maar eerder de manier waarop de mens met die informatie omgaat. Niet iedereen is namelijk even bekwaam in het filteren van – het gericht zoeken en selecteren in – die grote hoeveelheid aan informatie. Op dit punt lijkt het mij interessant ook de journalistiek bij dit onderwerp te betrekken. Ook journalisten maken gretig gebruik van het internet als informatiebron, maar zijn zij daarom noodzakelijk ook bekwame “filteraars”?

Het internet: ook een (overweldigende) bron van informatie voor de journalist

In het essay “De krant als baken in een zee van overvloed?” uit 1999, bespreekt Harry Lockefeer de invloed van de komst van nieuwe media op de positie van de krant. Lockefeer merkt op dat “de komst van elektronische informatievormen knaagt aan de machtige positie van het dagblad als informatiebron.” Hij stelt bijvoorbeeld vast dat mensen steeds vaker informatie opvangen op andere wijzen aangezien er “media in overvloed” is. Toch is hij van mening dat het dagblad niet snel zal verdwijnen als mediavorm, en wel om de volgende reden:

“De kernfunctie van de krant is ordening. De stortvloed van nieuws en andere informatie die dagelijks over de wereld gaat en die voor de gewone burger niet te volgen en laat staan te wegen is, wordt door de krant overzichtelijk samengebracht en van context voorzien.”

Lockefeer beschrijft het zoeken, selecteren, beoordelen en orderenen van informatie en/of nieuws dus eigenlijk als de oeroude kerntaken van de journalist. Je zou er dus kunnen van uitgaan dat journalisten heel behendige informatieverzamelaars en -verwerkers zijn, en dat zij bijgevolg ook in het gebruik van het internet voor het verzamelen van informatie, voor nieuwsgaring, vrij behendig zijn.

Toch blijkt uit een  onderzoek naar het bronnengebruik van Vlaamse beroepsjournalisten uit 2008 (dat werd opgenomen in de powerpoint behorende bij het college van professor Hedwig De Smaele op 9 november 2012) dat dit in de praktijk niet echt het geval is. Het onderzoek toont aan dat 59% van de ondervraagde journalisten dagelijks gebruik maakt van het internet om er zelf op zoek te gaan naar informatie. Ook maakt 38% van de ondervraagde journalisten dagelijks gebruik van elektronische archieven als Mediargus. Daartegenover staat dan wel het opmerkelijke feit dat 45% van de in 2008 ondervraagde journalisten nooit of slechts sporadisch beroep doet op primaire bronnen zoals oorspronkelijke teksten en rapporten, die evenwel vaak via internet makkelijk en snel beschikbaar zijn.

Het onderzoek naar het bronnengebruik van Vlaamse beroepsjournalisten uit 2008 heeft dus aangetoond dat het internet een belangrijke bron van informatie geworden is binnen de journalistiek, maar dat het gebruik ervan door journalisten niet optimaal is. De onderzoekers stelden namelijk vast dat:

  • Het internetgebruik van journalisten vrij beperkt blijft, voornamelijk tot e-mailen, googlen en surfen naar bekende websites.
  • Het internet vooral als een soort ‘archief’ gebruikt wordt door journalisten. Het wordt vooral gebruikt om andere media te volgen, om snel contactgegevens te zoeken en voor het raadplegen van naslagwerken (encyclopedieën, woordenboeken, etc.).

Bronnen

[1] Lockefeer, H. (1999). “De krant als baken in een zee van overvloed?” In Media in overvloed. Van Cuilenbrug, J., Neijens, P. en Scholten, O. (red.). Amsterdam: Amsterdan University Press, 54-66.

[2] De Smaele, H. (2012). Nieuwsgaring: bronnen van het nieuws [powerpoint]. Brussel: Hogeschool-Universiteit Brussel.

#mediaconvergentie: twitteren voor journalisten

Belgische journalisten en sociale media

In mei publiceerde het communicatiebedrijf Quadrant Communications de volgende twee persberichten: ‘Meerderheid Belgische journalisten gebruikt Twitter’ en ‘Belgische journalist niet bang voor toekomst’. In deze persberichten worden de resultaten van de derde journalistenenquête van Quadrant Communications bekend gemaakt.

Uit de bovenstaande presentatie, en de twee (bijbehorende) persberichten, blijkt dat de sociale media platforms Twitter, Facebook en LinkedIn de laatste jaren een heuse opmars hebben gemaakt binnen de professionele journalistieke sector. De journalistenenquête van Quadrant Communications toont aan dat anno 2012 meer dan de helft van de ondervraagde Belgische journalisten Twitter, Facebook en LinkedIn voor professionele doeleinden gebruikt:

  • Twitter: 51% in 2012, tegenover 18% in 2010 en 9% in 2009
  • Facebook: 64% in 2012, tegenover 26% in 2010 en 15% in 2009
  • LinkedIn: 56% in 2012, tegenover 37% in 2010.

 

In deze blog wil ik me vooral buigen over de bruikbaarheid en het nut van het sociale media platform Twitter voor journalisten. Aan de hand van twee wetenschappelijke teksten zal ik de volgende twee vragen proberen beantwoorden:

  1. Op welke manier kan Twitter een meerwaarde betekenen voor de journalistiek?
  2. Op welke manier wordt Twitter gebruikt door journalisten en/of nieuwsorganisaties?

Het nut van Twitter voor de journalistiek

Voor zij die net zoals ik niet echt vertrouwd zijn met sociale media, begin ik met een korte uitleg over wat Twitter nu precies is:

“Twitter, ook wel omschreven als ‘micro-blogging’, is een platform dat mensen toelaat om berichten van maximaal 140 tekstkarakters te posten. De berichten, ‘tweets’ genaamd, zijn beschikbaar voor ‘followers’ die zich hebben geabonneerd op iemands ‘Twitter stream’.” [2] [eigen vertaling]

Op basis van twee onderzoeken uit 2010 over het gebruik van Twitter in de journalistiek (zie Ali Nobil Ahmad en Cory L. Armstrong en Fangfang Gao) vallen vier grote voordelen voor de journalistiek van het sociale media platform Twitter te onderscheiden.

  1. Ten eerste, blijkt Twitter een ideaal medium te zijn voor het snel (vaak op het moment van de feiten zelf) verspreiden van belangrijke informatie. Dit is vooral het geval omdat Twitter een platform is dat wordt gekenmerkt door snelheid (online platform) en beknoptheid (berichten van maximaal 140 tekens), wat ook klare en directe taal vereist.
  2. Ten tweede, is Twitter een handige “research tool” [1] voor journalisten. Omdat het zo’n populair en veelgebruikt medium is, blijkt het bruikbaar voor journalisten voor het verkrijgen van bronnen, bewijsmateriaal en inspiratie (nieuwe ideeën).
  3. Ten derde, blijkt Twitter ook een goed “marketing tool” [1] voor journalisten en nieuwsorganisaties te zijn. Het laat journalisten en nieuwsorganisaties namelijk toe om een veel groter publiek te bereiken en om de populariteit van hun werk en/of organisatie te bevorderen. Dankzij sociale media als Twitter kunnen journalisten en nieuwsorganisaties vandaag de dag niet alleen gewone lezers en online lezers, maar ook nog eens “followers” hebben.
  4. Ten vierde, is Twitter een zeer sociaal en zeer democratisch medium. Het is “user-generated” en geeft nieuwsconsumenten de kans om ook zelf te participeren in het nieuwsgaringsproces. Deze grotere openheid die Twitter introduceert bij journalisten en nieuwsorganisaties kan op zijn beurt dan weer bijdragen tot een groter bereik en een grotere populariteit van de traditionele media.

Ondanks deze grote voordelen, stellen Ahmad, Armstrong en Gao vast dat er aan Twitter ook enkele nadelen voor journalisten verbonden zijn.

  1. Ahmad suggereert dat die (zonet als voordelig vermelde) “burgerparticipatie” er op termijn wel eens toe zou kunnen leiden dat de rol van de journalisten als “fact-finders” bij uitstek onder druk komt te staan. Hij verwacht dat traditionele journalisten een steeds grotere druk zullen voelen om innovatief te zijn en de lezer iets nieuw aan te bieden. Uit het onderzoek van Quadrant Communications over de status van sociale media in de Belgische journalistiek anno 2012 bleek ook effectief dat journalisten steeds vaker het gevoel hebben te leiden onder een toenemende commerciële druk.
  2. Armstrong en Gao vermelden ook de bezorgdheid van velen dat de komst van (nieuwe en) sociale media traditionele journalistieke waarden, zoals verantwoordelijkheid en betrouwbaarheid, heeft aangetast. Ook deze bezorgdheid werd bij de Belgische journalisten vastgesteld door Quadrant Communications. Slechts 20% van de ondervraagde Belgische journalisten is ervan overtuigd dat sociale media de journalistiek verbeterd hebben. Volgens Quadrant Communications rapporteren de “sceptici” voornamelijk kwaliteitsverlies als gevolg van de populariteit van nieuwe technologieën.

Het gebruik van Twitter in de journalistiek

Ondanks de voordelen voor de journalistiek die Twitter kan bieden, sluiten zowel Ali Nobil Ahmad als Cory L. Armstrong en Fangfang Gao hun onderzoeken af met een bedenking over het werkelijke gebruik van Twitter door journalisten en/of nieuwsorganisaties.

Ali Nobil Ahmad besluit zijn onderzoek met de volgende bedenking:

“[F]or all its usefulness as an innovative marketing and research tool for journalists, journalists themselves are a pretty useful source of marketing for Twitter. They appear to promote it at every opportunity, sometimes at the expense of their own work’s quality.”

Tijdens zijn onderzoek stelde Ahmad met andere woorden vast dat journalisten zich eerder zijn gaan bezighouden met het loven en promoten van het nieuwe medium Twitter dan met het gebruiken ervan op een doeltreffende en innovatieve manier.

Ook Cory L. Armstrong en Fangfang Gao hebben tijdens hun onderzoek vastgesteld dat het gebruik van Twitter in de journalistiek nog niet op punt stond in 2010:

“Overall, our results indicate that while these agencies are employing Twitter, they don’t seem to be using it in innovative ways. Twitter allows for instantaneous updates, in a way that print newspapers desperately need to reach their public. It appears that the main use of Twitter is to drive traffic to the news site (86.7% of our sample), and that very few tweets were used to provide breaking news or serve in the social responsibility role, whereas news tweets are used to give consumers information they need to function within society (4.7%).”

De belangrijkste vaststelling die Armstrong en Gao deden, was dus dat in 2010 vele nieuwsorganisaties Twitter voornamelijk gebruikten om mensen naar hun website te lokken. Dit werd vooral gedaan d.m.v. het automatisch verzenden van krantenkoppen naar Twitter, en die krantenkoppen vormden dan een link naar het bijbehorende nieuwsartikel op de website van de nieuwsorganisatie.

Of nieuwsorganisaties ook vandaag nog steeds weinig gebruik maken van de innovatieve mogelijkheden die Twitter te bieden heeft, blijft nu maar de vraag.  Het feit dat Quadrant Communications vaststelt dat, ondanks het sterk toegenomen gebruik van sociale media platforms als Twitter, Facebook en LinkedIn, nog 78% van de Belgische journalisten niet voorzien wordt van duidelijke richtlijnen over het gebruik van sociale media op de werkvloer doet mogelijks vermoeden van wel. Misschien vinden nieuwsorganisaties het niet nodig om afzonderlijke richtlijnen voor het gebruik van dergelijke platforms te voorzien, omdat ze er toch niet op een zeer uitgebreide manier gebruik van willen maken? Misschien volstaat het wel voor nieuwsorganisaties om sociale media te gebruiken als een soort reclame- en promotiemiddel?

Bronnen

[1] Ahmad, Ali Nobil. (2010) “Is Twitter a useful tool for journalists?” Journal of Media Practice 11.2: 145-155.

[2] Armstrong, Cory L. en Gao, Fangfang. (2010) “Now Tweet This: How News Organizations Use Twitter.” Electronic News 4.4: 218-235.

De internetgeneratie: van digitale kloof tot digitale ongelijkheid

De digitale kloof: een veelzijdig begrip

Op 19 oktober 2012 berichtte deredactie.be het volgende: “Nieuwe digitale kloof ook bij jongeren zichtbaar”. In dit artikel wordt de zogenaamde tweede digitale kloof toegelicht. Vele onderzoekers maken vandaag de dag het onderscheid tussen de eerste en de tweede digitale kloof. De eerste digitale kloof verwijst naar een verschil in ICT- toegang, naar het onderscheid tussen zij die toegang hebben tot nieuwe technologieën en zij die dat niet hebben.[1] De tweede digitale kloof verwijst naar een verschil in ICT-gebruik, naar het onderscheid tussen zij die goed met nieuwe technologieën kunnen omgaan en zij die dat niet of minder goed kunnen.[1]

Het feit dat men reeds een onderscheid maakt tussen twee “digitale kloven” toont aan dat de term digitale kloof een zeer veelzijdig fenomeen beslaat. De digitale kloof is een term die doorgaans gerelateerd wordt aan een hele reeks tegenstellingen: globaal vs. nationaal, rijk vs. arm, jong vs. oud, enz. In verschillende onderzoeken naar het fenomeen van de tweede digitale kloof stelde men echter vast dat die tegenstellingen niet altijd opgaan. Zoals het bericht van deredactie.be bijvoorbeeld aangeeft, gaat de tegenstelling jong vs. oud niet volledig op wanneer het internetcompetentie betreft.

De internetgeneratie: “digital natives” of “digital naives”?

De huidige kinderen en jongeren worden vaak omschreven als de internetgeneratie, omdat zij opgroei(d)en met alle nieuwe technologieën. Doorgaans wordt dan ook verondersteld dat de jongere generaties algemeen vertrouwd en vaardig zijn met die nieuwe technologieën. Zij worden m.a.w. beschouwd als een uniforme groep die zich bevindt aan de “goede” zijde van de kloof, de zijde van diegenen met informatietoegang én informatiebekwaamheid. Verschillende onderzoekers trokken deze veronderstelling echter in twijfel.

Sonia Livingstone deed onderzoek naar de graad aan informatietoegang en informatiebekwaamheid bij Britse kinderen en jongeren. Zij stelde vast dat, zoals in de meeste Westerse landen, de overgrote meerderheid van de jonge generatie in Groot-Brittannië beschikt over internettoegang. Uit haar onderzoek blijkt echter ook dat het verkrijgen van toegang tot het internet niet voldoende is om de digitale kloof te dichten. Zij stelt namelijk vast dat tussen de jongeren die over internettoegang beschikken er nog heel wat verschillen m.b.t. hun internetgebruik blijven bestaan. Livingstone onderscheid de volgende verschillen:

1. Verschillen in hoe frequent kinderen en jongeren gebruik maken van het internet.
2. Verschillen in het internetmogelijkheden (of internetactiviteiten) die ze benutten.
3. Verschillen in hun ervaring (know-how) met het internet.

Eszter Hargittai deed onderzoek naar de internetbekwaamheid van een groep Amerikaanse jongeren, en ook haar onderzoek onthulde ongelijkheden m.b.t. het internetgebruik van de zogenaamde internetgeneratie. Net zoals Livingstone stelde Hargittai verschillen in gebruiksfrequentie, benuttingsgraad en ervaring vast.

Digitale ongelijkheid: een weerspiegeling van sociale ongelijkheid

Beide onderzoeksters tonen dus aan dat ook binnen een groep die algemeen beschouwd wordt als de ultieme “information haves” én “information experts” er ongelijkheden blijven bestaan. Zij spreken dan ook eerder over digitale ongelijkheid dan over dé digitale kloof. Sonia Livingstone formuleert haar standpunt als volgt: “[my findings support] the overall argument for rethinking the binary divide in terms of a continuum of inclusion”. Zij (en ook Hargittai) is dus eigenlijk van mening dat de term digitale kloof te binair is en de complexe realiteit m.b.t. de verspreiding van nieuwe technologieën niet kan weerspiegelen. Eerder dan aan de ene of de andere kant van een kloof te staan, bereiken verschillende mensen telkens een verschillend niveau van vertrouwdheid met en betrokkenheid tot de nieuwe media.

Livingstone en Hargittai komen ook nog tot een andere (mogelijks nog belangrijkere) conclusie. Hun cijfers tonen namelijk aan dat de ongelijkheden m.b.t. het internetgebruik van kinderen en jongeren sterk samenhangen met sociaaleconomische status en/of achtergrond. Kinderen en jongeren met een hogere sociaaleconomische status zullen doorgaans frequenter gebruik maken van het internet, meer internetmogelijkheden (of internetactiviteiten) benutten en over meer webkennis beschikken.

Omwille van deze vaststelling drukken beiden onderzoeksters hun bezorgdheid uit over een mogelijks negatief effect van het verspreiden van het internet:

Livingstone: “There is a risk that increasing internet penetration will exacerbate rather than reduce inequalities.”

Hargittai: “[The fact that] the more privileged stand to benefit from it more than those in less advantageous positions [raises] concerns about [the] possibly increased rather than decreased inequality resulting from the spread of Internet use across the population.”

Ook ik had soortgelijke bedenkingen na het lezen van Livingstone en Hargittai hun resultaten. Het is niet zozeer dat het internet een kwaad is dat ongelijkheden in de samenleving creëert. Maar wel lijkt het mij dat reeds bestaande sociale ongelijkheden (zowel globaal als nationaal) weerspiegelt worden in digitale ongelijkheden. Het lijkt dus m.a.w. zo te zijn dat de komst van nieuwe technologieën reeds bestaande ongelijkheden extra in de verf zet. Uiteraard kan dit positieve gevolgen hebben, in die zin dat er misschien een grotere bewustwording omtrent bepaalde sociale problemen ontstaat. Anderzijds wordt de harde realiteit de “not-haves” van deze wereld misschien toch maar weer onder de neus gewreven.

Bronnen

[1] Attewell, Paul. (2001) “Comment: The First and Second Digital Divides.” Sociology of Education 74.3: 252-259.

[2] Livingstone, Sonia. (2007) “Gradations in digital inclusion: children, young people and the digital divide.” New Media Society 9.4: 671-696.

[3] Hargittai, Eszter. (2010) “Digital Na(t)ives? Variation in Internet Skills and Uses among Members of the ‘Net Generation’.” Sociological Inquiry 80.1: 92-113.

“De messias en de media”

Voor zij die niet zomaar een mening op de vragen die ik stelde in mijn vorige blog willen formuleren… Toevallig werd de geloofwaardigheid van de Belgische media besproken in de weekendeditie van De Standaard. In de katern “Op scherp” viel het essay “De messias en de media” te lezen, waarin Luc Huyse (socioloog en professor emeritus aan de KU Leuven) en Marc Hooghe (politicoloog en hoogleraar aan de KU Leuven) de volgende vraag bespreken: Hoe onpartijdig zijn tv-zenders en kranten nog?

Het essay spits zich vooral toe op hoe de media omgaat met de rapportage van de politiek. Het gaat dus niet echt om een globaal overzicht op de geloofwaardigheid van de Belgische media, maar ik vond het best een interessant essay…

De geloofwaardigheid van de media op de proef gesteld

‘Geen hond gelooft de media nog’

Probleem met geloofwaardigheid van de media is reëel – De zevende dag 06-05-12

Op 6 mei 2012 besteedde het actualiteitsprogramma De zevende dag aandacht aan het volgende thema: de geloofwaardigheid van de media. Dit gebeurde naar aanleiding van enkele harde uitspraken over de media die NVA-voorzitter Bart De Wever deed tijdens een interview met een medewerker van de nieuwswebsite Apache.

Tijdens dit interview verkondigde Bart De Wever dat de media hun geloofwaardigheid aan een steeds sneller tempo verliezen omdat ze zich te veel richten op het brengen van snelle en sensationele verhalen. Hoewel De Wever zijn kritiek voornamelijk richtte tot de traditionele media, betrok hij ook de invloed van de nieuwe en sociale media bij zijn verhaal. Hij beweerde dat de nieuwe en sociale media mede verantwoordelijk zijn voor het feit dat journalisten vele deontologische regels niet meer respecteren.

Het debat dat Bart De Wever met zijn uitspraken teweeg bracht, boog zich in zekere zin dus over de volgende twee vragen:

  1. Hoe zit het met de geloofwaardigheid van de media (zowel de traditionele als de nieuwe media)?
  2. Heeft de komst van de nieuwe media de geloofwaardigheid van de journalistiek aangetast?

Op deze vragen wil ik dan ook aan de hand van enkele wetenschappelijk onderzoeken een antwoord proberen geven.

De geloofwaardigheid van de traditionele en nieuwe media

In de reportage van De zevende dag zien we Bart De Wever het volgende beweren: “Elk onderzoek toont aan dat de media niet meer wordt geloofd.” Of dit effectief het geval is met elk onderzoek valt moeilijk vlug te checken, maar ik nam wel eens enkele onderzoeken over “media credibility” onder de loep.

Thomas J. Johnson en Barbara K. Kaye (1998) maakten deel uit van een eerste reeks onderzoekers die bij het publiek gingen polsen of er een verschil was tussen de geloofwaardigheid van de traditionele media en de geloofwaardigheid van de nieuwe media. Zoals zij in hun onderzoek aangeven, had de komst van het internet en de nieuwe media bij velen vraagtekens opgeroepen m.b.t. de geloofwaardigheid van de op het internet gepubliceerde informatie. Voornamelijk het feit dat in principe iedereen ongelimiteerd en ongereguleerd informatie op het web kan plaatsen, blijkt voor bepaalde kritische waarnemers een struikelblok.

Toch werd in het onderzoek van Johnson en Kaye de online media meer betrouwbaar bevonden door het publiek dan de traditionele media. Bij het resultaat van dit onderzoek moet wel een kleine bedenking gemaakt worden. Johnson en Kaye geven namelijk zelf aan dat voorgaande onderzoeken hebben uitgewezen dat er een positieve correlatie blijkt te zijn tussen hoe frequent men een bepaald medium gebruikt en hoe geloofwaardig men het vindt. Met andere woorden, hoe vaker men een bepaald medium gebruikt, hoe geloofwaardiger men het vindt in vergelijking met andere media. Ondanks deze vaststelling, beperkten Johnson en Kaye (en ook nog andere onderzoekers) zich in hun onderzoek toch enkel tot het bevragen van “politically-interested Web users” (m.a.w. internetgebruikers).

Deze bedenking m.b.t. de werkwijze van “media credibility-onderzoeken” werd ook gemaakt door Spiro Kiousis (2001). Hij beperkte zich in zijn onderzoek niet tot het bevragen van internetgebruikers, maar probeerde een meer gediversifieerd bevragingspubliek samen te stellen. Kiousis zijn onderzoek bleek dan ook een ander resultaat te hebben. Volgens Kiousis zijn bevindingen worden kranten het meest geloofwaardig bevonden, gevolgd door online nieuws als tweede meest geloofwaardige nieuwsmedium, en televisienieuws als het minst geloofwaardige nieuwsmedium.

Er is echter een belangrijkere bevinding die zowel uit het onderzoek van Johnson en Kaye als uit het onderzoek van Kiousis naar voren komt, namelijk dat alle belangrijkste nieuwsmedia (hier: kranten, online nieuws en televisie) globaal genomen slechts als enigszins geloofwaardig worden bestempeld door het bevraagde publiek.

De impact van de nieuwe media op ‘geloofwaardigheid’

In de bovenstaande aflevering van De zevende dag stelt men de vraag of de nieuwe media ervoor gezorgd hebben dat de nieuwsgaring vandaag de dag te snel gaat? Of er wel nog genoeg kans is om over de nieuwsfeiten te reflecteren? En of de nieuwe media op die manier de geloofwaardigheid van de (traditionele) media hebben aangetast?

Mark Demesmaeker, NVA-parlementslid en voormalig journalist, lijkt zich vragen te stellen bij het huidige “Twittertijdperk” en wil erop wijzen dat de kwaliteitscontrole van het nieuws een grote verantwoordelijkheid is die tot nu toe nog steeds bij de traditionele media ligt. Steven Van Belleghem staat, als specialist sociale media, dan weer minder sceptisch tegenover de invloed van de nieuwe media. Hij wijst erop dat nieuwe en sociale media ook nieuwe kansen binnen de mediawereld creëren omdat ze, voornamelijk omwille van hun interactieve karakter, zowel democratiserend als autocorrigerend werken.

Dit jaar nog onderzocht Daekyung Kim de geloofwaardigheidsstatus van blogs. In dit onderzoek stelde hij vast dat de mogelijkheid tot interactiviteit die de blog (en de nieuwe media in het algemeen) biedt ook belangrijk is in relatie tot “media credibility”. Kim zijn onderzoek wees uit dat vele bloggebruikers blogs doorgaans meer betrouwbaar vinden dan andere (traditionele) media omdat ze meer diepgaande informatie verschaffen. Die meer grondige informatie komt volgens hem tot stand d.m.v. de mogelijkheid tot interactie met anderen, omdat zo meer perspectieven aan bod kunnen komen.

Vervolgens besluit Kim dat de komst van de nieuwe media ook mensen hun perceptie op het begrip geloofwaardigheid (m.b.t. de media) veranderd heeft. Hij stelt vast dat naast correctheid, feitelijkheid en objectiviteit, nu ook interactiviteit een (grote) rol is gaan spelen m.b.t. de geloofwaardigheid van de media.

Een reëel probleem voor alle (nieuws)media

Toch wel opmerkelijk is dat uit zowel de onderzoeken als de reportage van De zevende dag blijkt dat de geloofwaardigheid van de media (in al haar vormen) in het gedrang komt. Geloofwaardigheid blijkt momenteel dus een belangrijk aandachtspunt voor alle journalistieke media. Daekyung Kim besluit bijvoorbeeld:

“[T]he overall mediocre ratings of news credibility should be disconcerting for professional journalists and mass communications researchers alike. […] Perhaps more strategies should be developed to elevate press credibility as a whole rather than creating specialized recommendations for television, newspaper, and online news separately.”

De bovenvermelde onderzoeken van Kim, Kiousis en Johnson en Kaye richten zich allen op de Amerikaanse media. Hoewel Bart De Wever lijkt te beweren van wel, is het met de Belgische media niet noodzakelijk het geval dat zij slechts enigszins geloofwaardig bevonden worden.

Wat denken jullie? Zijn de Belgische media over het algemeen betrouwbaar? Of roepen hun berichten toch vaak kritische bedenkingen bij jullie op? En in welke vorm is de Belgische media dan het meest betrouwbaar (krant, online, televisie, radio)? Of zijn er niet echt grote verschillen vast te stellen?

Bronnen

[1] Johnson, Thomas J. en Kaye, Barbara K. (1998) “Cruising Is Believing?: Comparing Internet and Traditional Sources on Media Credibility Measures.” J&MC Quarterly 75.2: 325-340.

[2] Kiousis, Spiro. (2001) “Public Trust or Mistrust? Perceptions of Media Credibility in the Information Age.” Mass Communication & Society 4.4: 381-403.

[3] Kim, Daekyung. (2012) “Interacting is believing? Examining bottom-Up credibility of blogs among politically interested Internet users.” Journal of Computer-Mediated Communication 17: 422-435.

De burger: de nieuwe stem in het medialandschap

Burgerjournalistiek vs. traditionele journalistiek

De komst van het internet en de nieuwe media introduceerde een stevige verandering in het medialandschap. Zo ontstond er bijvoorbeeld een nieuwe soort journalistiek, citizen journalism of burgerjournalistiek genaamd. De term burgerjournalistiek verwijst naar het fenomeen waarbij (gewone) burgers met behulp van nieuwe media als weblogs, podcasts en videos (nieuws)berichten de wereld insturen zonder daarbij noodzakelijk gebruik te maken van een bepaalde professionele journalistieke code en omkadering. [1]

Het fenomeen van de burgerjournalistiek toont goed aan hoe de nieuwe media het traditionele journalistieke communicatieproces veranderd hebben. Vandaag de dag zijn journalisten niet langer enkel “zenders” en burgers niet langer enkel “ontvangers” van de nieuwsboodschap. Dankzij het internet en alle interactieve mogelijkheden die het internet biedt, kunnen de rollen ook omgekeerd worden.

De snelheid waarmee de nieuwe media en de bijbehorende alternatieve journalistieke stemmen zich verspreiden, heeft bij sommigen de angst opgewekt dat de traditionele media overbodig zullen worden. De komst van de nieuwe media heeft met andere woorden een zekere spanning tussen traditionele media en nieuwe media, en ook tussen traditionele journalistiek en burgerjournalistiek, geïntroduceerd.

Maar hoeft de traditionele journalist zich ook echt bedreigd te voelen door de nieuwe stem van de burger of burgerjournalist? Het bovenstaande filmpje, dat op eenvoudige en ludieke wijze de situatie probeert samen te vatten, suggereert in ieder geval van niet.

De blogosfeer of het domein bij uitstek van de burgerjournalist

Volgens enkele onderzoekers van de University of Texas (Reese, Rutigliano, Hyun en Jeong) is de blog zowat het meest geschikte en meest uitgebreide medium voor het verspreiden van (nieuws)berichten en meningen door modale burgers. Hun onderzoek richt zich op het analyseren van wat men de blogosfeer noemt. De term blogosfeer verwijst naar de grote hoeveelheid blogs die te vinden zijn op het internet en naar hoe deze met elkaar (en vaak ook met andere media) in verbinding staan. [1]

Specifiek analyseerden Reese en zijn kompanen zes grote Amerikaanse nieuwsblogs en/of politieke blogs en hun verhoudingen tot de andere (traditionele en nieuwe) media. In hun onderzoek doen zij een interessante vaststelling, namelijk dat in de zes actuele blogs bijna de helft van de links en/of verwijzingen naar andere informatiekanalen verwijzingen naar traditionele nieuwsmedia zijn.

Reese en zijn kompanen besluiten dan ook dat het niet nodig is om burgerjournalistiek en traditionele journalistiek telkens voor te stellen als twee contrasterende (of zelfs concurrerende) disciplines binnen het medialandschap. Uit hun onderzoek blijkt namelijk dat bloggers berichten uit de traditionele media vaak accepteren en integreren in hun werk, en zo in feite bijdragen tot een verdere verruiming en verspreiding van belangrijke nieuwsfeiten.

De traditionele journalist en diens intrede tot de nieuwe media

Het zijn niet alleen de bloggers en/of burgerjournalisten die heil zien in een soort van samenwerking met traditionele nieuwsmedia. Ook de traditionele media lijken de komst van de nieuwe media en diens voordelen omarmd te hebben. Vandaag de dag beschikken de meeste grote nieuwsredacties over een eigen website waar blogs en andere interactieve fora wederzijdse communicatie tussen burgers en journalisten mogelijk maken.

Op de nieuwswebsite newmatilda.com droeg Kevin Anderson, voormalig BBC-reporter en blogs-redacteur bij The Guardian, bij tot het debat over de spanningen tussen traditionele journalistiek en burgerjournalistiek (en/of blogging). Als journalist raakte hij vlug overtuigd van de mogelijkheden die de nieuwe media en fenomenen als burgerjournalistiek te bieden hebben voor de traditionele journalistiek.

In zijn artikel toont Anderson aan op welke wijze burgerjournalisten en/of bloggers hem (als traditionele journalist) van dienst zijn geweest omdat ze hem hielpen het nieuws sneller en dichter bij het publiek te brengen. Anderson schrijft bijvoorbeeld: “Hours after the bombing in Mumbai last year, we were able to speak to a blogger in the city as if she were in a radio studio, via the internet phone service Skype.”

Anderson wijst ook nog op andere voordelen die verbonden zijn aan blogging en aan het fenomeen van de burgerjournalistiek. Volgens Anderson zijn blogging en burgerjournalistiek positieve fenomenen omdat ze mensen een publieke stem geven. Hij verwijst ook naar een studie die heeft aangetoond dat bloggers en blog-lezers vaak niet enkel geïnteresseerd zijn in publieke expressie, maar ook in publieke participatie in de maatschappij. Met betrekking tot deze voordelen formuleert Anderson het volgende enthousiaste besluit: “This is the power of the internet. This is the power of citizen media.”

“The future depends on both of us”

Uit voorgaande standpunten blijkt dat de traditionele journalist zich inderdaad niet onmiddellijk bedreigd hoeft te voelen door de burgerjournalist of de kracht van de nieuwe media. Eerder dan resoluut tegenover elkaar te staan, lijken de traditionele journalistiek en de burgerjournalistiek een waardevolle wisselwerking te zijn aangegaan. Vooral belangrijk is dat dankzij deze wisselwerking zowel de traditionele journalistiek en de burgerjournalistiek bijdragen tot de creatie van “een meer open ‘dialogische’ journalistieke cultuur”. [1]

Toch zijn ook enkele kanttekeningen bij dit verhaal nodig. Het internet en de nieuwe media mogen dan wel vele democratische mogelijkheden bieden, vrij van nadelen zijn ze natuurlijk ook niet. Ondanks alle technologische mogelijkheden blijven de stemmen van bepaalde minderheden nog steeds onvertegenwoordigd in het “grote democratische debat” dat op het internet woedt. Bovendien kan ook internetinformatie gemanipuleerd worden. De “traditionele” journalist Harry Evans merkte bijvoorbeeld het volgende op: “How long before some wide-awake dictator hires 500 student twitterers or bloggers of his own? Where’s the assurance that any of this instant stuff is, or will indeed remain, honest and true?” [3] Of we nu journalist, blogger of gewone lezer zijn, een kritische ingesteldheid ten overstaande van wat we schrijven en lezen blijft steeds cruciaal.

Bronnen

[1] Reese, Stephen D. e.a. (2007) “Mapping the blogosphere: Professional and citizen-based media in the global news arena.” Journalism vol. 8: 235-261.

[2] Anderson, Kevin. “Blogs To You!” gepubliceerd door newmatilda.com <http://newmatilda.com/node/2430?ArticleID=2430&HomepageID=217>

[3] Evans, Harry: geciteerd door Peter Preston in diens artikel “Iran showed the power of citizen journalism, but how far can we trust it?” <http://www.guardian.co.uk/media/2010/sep/19/iran-citizen-journalism-press-freedom>

Welkom Bloggers!

Welkom bloggers,

Mijn naam is Emme Lampens, sinds kort studente journalistiek aan de Hogeschool-Universiteit Brussel. In het kader van het vak “Nieuwe media en mediaconvergentie” richt ik vandaag mijn allereerste blog op. Wekelijks zullen hier blogs verschijnen die, uiteraard, handelen over nieuwe media en mediaconvergentie.  Het is de bedoeling dat telkens een ander aspect gerelateerd aan dit ruime onderwerp belicht wordt, en dat op verdiepende en academische wijze. Ik hoop dus elke week enkele interessante inzichten over nieuwe media aan jullie te kunnen voorleggen. Natuurlijk is van jullie kant ook steeds enige feedback en reactie welkom…

Veel leesplezier!

Emme Lampens