De eindbalans: het belang van nieuwe en sociale media in onze samenleving

Net zoals dit filmpje, heb ik jullie waarschijnlijk twaalf weken lang overdonderd met cijfers, feiten en meningen over nieuwe media en mediaconvergentie. Na het aanschouwen van al deze cijfers, feiten en meningen valt het dan ook niet langer te ontkennen: de digitalisering van onze samenleving is een feit. Nieuws, informatie, entertainment… Alles is online beschikbaar, en wordt ook steeds vaker online geraadpleegd. Computers, laptops, netbooks, gsms, smartphones, tablets… Men kan op talloze manieren, op elk tijdstip van de dag en eender waar toegang krijgen tot het internet en diens zee aan informatie en mogelijkheden.

Toch is meermaals gebleken dat al deze mogelijkheden (nog) niet door iedereen ten volle benut worden. Maar is dit eigenlijk wel nodig? Moet iedereen gebruik maken van zowel e-mails als weblogs als podcasts enzovoorts? Moet iedereen beschikken over een account op zowel Facebook als Twitter als LinkedIn enzovoorts? Is het alles of niets? Ben je een ‘digital outcast’ indien je niet alle mogelijkheden van het internet benut? Naar mijn mening niet. Je moet er ook maar de tijd voor hebben om alle nieuwe ontwikkelingen, die elkaar aan een razendsnel tempo opvolgen, te verkennen en benutten.

Uiteraard moet men op bepaalde vlakken wel mee met heel wat nieuwe trends, dus met de digitalisering van onze samenleving. Het gebruik van nieuwe media in het onderwijs en op de werkvloer heeft zijn nut zeker bewezen. De komst van het internet heeft heel wat zaken zeker efficiënter en heel wat meer tijdsbesparend gemaakt. Bijgevolg is het ook van groot belang dat werk wordt gemaakt van het creëren van gelijke “digitale” kansen zowel op globaal als lokaal niveau. In het onderwijs en op de werkvloer moet aandacht besteed worden aan het belang van het onderrichten van de werking en mogelijkheden van allerlei nieuwe media. Heel wat mensen zijn omwille van hun socio-economische status nog steeds benadeeld in hun omgang met nieuwe media. Niet alleen hebben sommigen minder makkelijk toegang tot het internet dan anderen, ook weten heel wat mensen niet hoe precies efficiënt om te gaan met het internet.

Op andere vlakken is het al dan niet meegaan in nieuwe tendensen en technologieën een persoonlijke keuze. Heel wat mensen kiezen er bijvoorbeeld bewust voor om geen gebruik te maken van social network sites zoals Facebook en Twitter. Zij zien er het nut niet van in of vinden dat er ook heel wat nadelen aan verbonden zijn. Dit laatste is ook een feit. Zowat alles heeft voor- en nadelen, en dit is met nieuwe en sociale media niet anders. Enerzijds bieden nieuwe en sociale media heel wat democratische emancipatie- en participatiemogelijkheden. Anderzijds introduceerden zij ook heel wat problemen omtrent privacy, sociale normen en waarden, sociaal contact, e.d.

Daarnaast verloopt de evolutie van nieuwe en sociale media ook nog eens zo snel dat het eigenlijk vrij moeilijk wordt om ooit nog alles te kunnen volgen. Wanneer het op sociale media aankomt, maak ikzelf bijvoorbeeld enkel gebruik van Facebook. Ik moet toegeven dat ik dit ene medium niet eens heel regelmatig en uitvoerig benut omdat het er soms gewoon niet van komt. Ook vind ik het beter om niet al te veel persoonlijke informatie via het internet te delen, want dit houdt ook wel enkele risico’s in.

Ondanks de verregaande digitalisering van onze samenleving, ben ik er dan ook van overtuigd dat de traditionele media niet verloren zullen gaan, en dat traditionele en nieuwe media naast elkaar kunnen bestaan. Ze zullen elkaar ongetwijfeld beïnvloeden, waardoor veranderingen in het medialandschap zullen blijven plaatsvinden, maar het bestaan van de een hoeft het bestaan van de ander niet noodzakelijk uit te sluiten. Elk medium heeft volgens mij zijn sterktes en zijn zwaktes, waardoor ook beide media nog steeds geliefd zijn bij het publiek of de consument. Ik persoonlijk geniet nog steeds van het lezen van de krant aan de ontbijttafel in het weekend, of het bekijken (vaak met een half oog) van het journaal van zeven uur tijdens het koken en van het samenkomen, en zelfs bellen, met vrienden en familie.

Als aanstaande journaliste is het natuurlijk wel mogelijk dat nieuwe en sociale media een belangrijkere rol in mijn leven zullen moeten gaan spelen. Nieuwe media zijn namelijk steeds belangrijker voor de journalist en de journalistiek. Ze vormen een nieuw medium voor de verspreiding van nieuws. Ze vormen ook een zeer uitgebreide bron aan informatie en bieden heel wat promotiemogelijkheden voor de journalist en diens mediabedrijf. Vooral Twitter is een heel nuttig medium voor journalisten gebleken. Indien dit mijn job ten goede komt zal ik hier uiteraard wel gebruik van beginnen maken, maar voor persoonlijke doeleinden zal ik me waarschijnlijk toch niet al te vlug volledig overgeven aan nieuwe en sociale media. Maakt dit mij dan een eerder passieve nieuwe mediagebruiker? Tja… Ik geloof er nog graag in dat men ook op andere manieren nog actief kan zijn, nog een stem kan hebben en kan bijdragen tot een meer democratische en open samenleving. Het internet is op zich ook niet de ultieme oplossing voor de vele sociale en democratische problemen die onze samenleving nog steeds tekenen.

Moeten journalisten aan ‘personal branding’ doen?

Nieuwe Media en personal branding

social_media-find-me

Sommigen onder jullie vragen zich misschien af wat personal branding precies is? Absoluut geen domme vraag. Hoewel velen de term wel al eens horen vallen hebben, is niet iedereen er actief mee bezig. Personal branding is het benadrukken van je persoonlijkheid en kwaliteiten met oog op het bevorderen van je professionele carrière. Zoals Brenna Collins aangeeft, is het gebruik van de term personal branding de laatste jaren sterk toegenomen. Dit heeft volgens Collins alles te maken met de komst van de nieuwe media. Nieuwe en (vooral) sociale media hebben ervoor gezorgd dat het cultiveren van een personal brand veel gemakkelijker en bijgevolg ook noodzakelijker geworden is. In haar onderzoek benadrukt Collins het belang van het cultiveren van een personal brand voor je professionele carrière. Sinds de komst van de nieuwe en sociale media bestaat voor werkgevers de mogelijkheid om informatie van (potentiële) werknemers te gaan opzoeken via het internet. Volgens Collins is het voor werknemers en werkzoekenden bijgevolg ook essentieel geworden dat zij zichzelf gaan promoten via het internet.

Personal branding als vereiste voor de journalist

Heel wat mediaexperts delen de mening dat personal branding ook voor journalisten een vereiste is geworden. Zoals Jennifer Gaie Hellum op de blog van Brazencareerist.com aangeeft, heeft de crisis in het medialandschap ervoor gezorgd dat personal branding ook voor journalisten heel belangrijk is geworden: “For many journalists, the changing media landscape’s effect on employment dynamics – from long-term job security to professional nomadism – requires proactive management of their careers.”

imagesZowel de economische crisis als de crisis in de mediasector lijken er inderdaad voor gezorgd te hebben dat een job vinden als journalist niet zo evident is. Volgens Hellum is het als aspirant-journalist dus een kwestie van opvallen in de massa, en dat is ook precies waar personal branding om draait: “Personal branding is fundamentally about how to distinguish yourself from those with whom you share general characteristics. That is to say, your brand is your intrinsically unique set of qualities that give you value.”

Het grote voordeel van personal branding is dus dat het je kan helpen om een carrière als journalist aan te vangen. Maar ook tijdens je journalistieke carrière lijkt personal branding belangrijk te blijven. Zoals Frank De Graeve aangaf tijdens zijn gastcollege aan de Hogeschool-Universiteit Brussel, gebruiken al heel wat journalisten nieuwe en sociale media om bekendheid te verwerven. Ze doen aan personal branding, want ze gebruiken nieuwe technologieën om zichzelf en hun werk te promoten, om aan het brede publiek te laten weten waarvoor zij en hun werk staan. Op deze manier slagen heel wat journalisten erin een vast en trouw publiek te vergaren.

Op zijn blog Base Check verwijst ook Christian Remon, een account executive voor Porter Novelli te Brussel, naar de relatie die journalisten die aan personal branding doen opbouwen met het publiek, de consument:

“Frankly, I can’t possibly think of a better way than to let journalists syndicate the good content they and their colleagues produce and engage in a discussion afterwards. This leads to more active engagement from the audience and helps build long-term relationships with them as a consumer.”

Personal branding als gevaar

Hoewel personal branding door velen als een steeds grotere vereiste voor journalisten wordt beschouwd, staan ook heel wat mensen uit de mediawereld nog steeds sceptisch tegenover het fenomeen. Op haar blog Teaching Online Journalism verwijst Mindy McAdams, professor online journalistiek aan de University of Florida, bijvoorbeeld naar de volgende uitspraak van Washington Post columnist Gene Weingarten:

“When I was a hungry young reporter … [my goals were]: 1) Get great stories that improve the world. 2) Get famous. 3) Get doe-eyed young women to lean in close and whisper, ‘Take me.’ Note the order. First came the work. Now, the first goal seems to be self-promotion — the fame part, the ‘brand.’ That’s because we know that, in this frenetic fight for eyeballs at all costs, the attribute that is most rewarded is screeching ubiquity, not talent.”

Mindy McAdams wijst erop dat het plaatsen van beroemdheid voor het werk en de kwaliteit van het journalistieke product wel vaker gevreesd wordt wanneer het gaat over personal branding door journalisten. Hoewel zij een voorstander is van personal branding door journalisten, benadrukt zij toch ook dat: “It’s very important that new or would-be journalists take Weingarten’s point to heart. There won’t be anything to be branded unless you have some substance to market, and that means much more than a talent for writing glibly.”

Christian Remon verwijst op zijn blog Base Check naar een gelijkaardige sceptische houding tegenover personal branding in de journalistiek:

“Pol Deltour, national secretary of the Vlaamse Vereniging van Journalisten, stated that Twitter is a threat to the journalist’s personal brand and a danger for the credibility of the media he is working for. In his eyes, social media changes the way journalists are perceived: as marketers rather than journalists.”

Zelf is Remon het hier niet mee eens. Volgens hem zijn alle journalisten een merk, want zij zijn het gezicht of de stem van elk mediakanaal. Hij stelt dan ook dat we vertrouwen moeten hebben in de journalisten, dat ze hetzelfde gezond verstand dat ze in hun werk hanteren ook online zullen gebruiken.

Personal-Branding-LinkedIn-10-Mistakes-to-AvoidDergelijk blind vertrouwen is toch ook weer niet zo evident. Op sociale mediasites zijn blunders vrij vlug gemaakt, en ze worden ook onmiddellijk geopenbaard aan een heel groot publiek, wat iemands carrière ook weer kan schaden i.p.v. bevorderen. (Denk bijvoorbeeld maar aan de Twitter-blunder van CD&V-politicus Yves Leterme.) Op de blog van Brazencareerist.com geeft Jennifer Gaie Hellum dan ook volgend advies mee: “be smart about what you post on social networks and Twitter. Whether you consider it personal or professional, it all affects your brand.”

Personal branding: ja of nee?

Is het nu noodzakelijk om als journalist aan personal branding te doen of niet? Ik ben er in ieder geval nog niet helemaal uit… Enerzijds lijkt het erop dat het voor journalisten in spe steeds belangrijker wordt indien zij een vaste plek binnen de sector willen verwerven. Anderzijds zijn er toch ook enkele gevaren verbonden aan zo sterk persoonlijk aanwezig zijn op het internet als journalist. Daarnaast lijkt personal branding mij ook iets dat niet voor iedereen is weggelegd. Als je het mij vraagt kan je best een eerder terughoudend persoon zijn die zich liever op de achtergrond houdt, maar toch over een kritische houding en een vlotte pen beschikken…

Bronnen

[1] Collins, B. (2012). The Importance of Personal Branding: Uses of Personal Branding for Career Developments and Success (ongepubliceerde bachelorproef). California Polytechnic State University, San Luis Obispo, Verenigde Staten.

[2] De Graeve, F. (2012) Journalistiek in 2013 [gastcollege] [powerpointpresentatie]. Brussel: Hogeschool-Universiteit Brussel.

Print- en onlinenieuws: concurrentie of convergentie?

social-vs-traditional

Sinds de komst van het internet en/of de nieuwe media is al heel wat gespeculeerd over de toekomst van de traditionele media. De vraag of de concurrentie van nieuwe en sociale media in de nieuwssector zal leiden tot het verdwijnen van de traditionele nieuwsmedia, vooral van de kranten of de gedrukte pers, werd reeds door velen gesteld.

Ook in deze blog zal bovenstaande vraag over de toekomst van de online- en gedrukte pers gesteld worden. In deze blog zal namelijk de onderlinge inhoudelijke afhankelijkheid van print- en online journalistiek van iets naderbij bekeken worden.

Nieuwe en sociale media als informatiebron

De concurrentie van nieuwe en sociale media binnen de nieuwssector is een feit. Zoals Mark Deuze, en ook Joanna Redden en Tamara Witschge, aangeven zijn sinds de komst van het internet heel wat vormen van onlinenieuws ontstaan. De belangrijkste vormen van onlinenieuws die zij herkennen, werden ook in voorgaande blogs reeds besproken:

  1. Officiële of traditionele nieuwssites: nieuwssites die uitgaan van traditionele nieuwsinstanties, dus kranten en of radio- en televisienieuwszenders.
  2. Zoekmachines: vele zoekmachines, zoals Google en Yahoo bieden ook een service aan waarbij zij (links naar) belangrijke nieuwsfeiten verzamelen.
  3. Niet-officiële of alternatieve nieuwssites: nieuwssites die niet uitgaan van traditionele nieuwsinstanties, maar eerder van onafhankelijk (uitzonderlijk voor het web) opgerichte nieuwsinstanties, of die uitgaan van individuen (vaak bloggers).
  4. Sociale mediasites: heel wat sociale mediasites, zoals Twitter en Facebook, worden gebruikt of kunnen gebruikt worden om nieuws te verspreiden.

Omwille van deze gevarieerde concurrentie kunnen traditionele media uiteraard niet blijven stilstaan indien ze een belangrijk deel van de nieuwssector willen blijven uitmaken. De traditionele media trachten dan ook mee te evolueren met de nieuwe technologieën. Enkel het feit dat bijna elk traditioneel nieuwsmedium tegenwoordig ook beschikt over een nieuwssite illustreert hun evolutie. Daarnaast trachten journalisten de nieuwe technologieën ook te integreren in hun werkwijze. Zoals ik in een eerdere blog reeds aanhaalde, worden vooral Twitter en Facebook (in België) vaak gebruikt door journalisten. Sociale media kunnen journalisten vaak helpen bij het zoeken naar nieuwtjes en bronnen.

Frank De Graeve, medewerker van het pr-bedrijf Quadrant Communications, wijst er echter op dat journalisten doorgaans toch voornamelijk vasthouden aan de traditionele werkwijzen omdat hun werk niet echt loont tot experiment. Het gebruik van nieuwe en sociale media binnen de journalistiek is volgens De Graeve dan ook nog niet echt optimaal. Zo stelt De Graeve vast dat heel wat traditionele media de gewoonte ontwikkeld hebben om zowat alle nieuwtjes die via sociale mediasites opduiken te gaan recycleren, te gaan gebruiken als stof voor artikels of reportages. Dit zorgt soms voor nuttig nieuws, maar vaak ook voor eerder triviaal nieuws. Volgens De Graeve moeten journalisten nog leren om goed te selecteren uit de grote zee aan informatie die door de nieuwe en sociale media wordt aangeboden.

Traditionele media als informatiebron

Frank De Graeve stelt vast dat recyclage ook in de andere richting plaatsvindt. Heel wat nieuwe en sociale media steunen voor het verkrijgen van hun nieuwsinformatie ook grotendeels op de traditionele nieuwsmedia. Verschillende onderzoeken naar de eigenschappen van onlinenieuws benadrukken dat nieuwssites zeer vaak informatie recycleren.

In hun onderzoek naar online nieuws in Groot-Brittannië stellen Redden en Witschge vast dat (traditionele) nieuwssites zowel binnen hun eigen organisatie als onderling aan recyclage doen:

“In our study we found an abundance of news online […]. However,  much of this content is homogenous – news organizations often covered stories from the same angles and different news organizations repeatedly presented the same information in their stories, be they images, quotes, or descriptive passages. In other words, homogeneity was common within as well as between mainstream news sites.”

Ook Hsiang Iris Chyi stelt vast dat online nieuwssites sterk afhankelijk zijn van traditionele media voor het verkrijgen van nieuwsinformatie:

“An online newspaper is created by the convergence of the newspaper and the Internet. Technologically, the Internet enables online newspapers to seek a worldwide market. Practically, most online newspapers are owned and operated by their print counterparts, which also serve as online editions’ primary content providers.”

Chyi besluit zelf dat online nieuwssites nog niet op punt staan en concurrentieel nog niet zo sterk staan. Volgens haar moeten online nieuwssites werken aan hun inhoudelijke onafhankelijkheid en creativiteit indien ze willen optreden als geduchte concurrent in de steeds groter worden nieuwssector.

Convergentie in de toekomst

Nieuwe en traditionele nieuwsmedia lijken (op z’n minst inhoudelijk) van elkaar afhankelijk te zijn. Het antwoord op de concurrentiële druk die zowel door de online pers en de gedrukte pers gevoeld wordt, lijkt mij dan ook convergentie te zijn. Het bestaan van de één hoeft niet de dood van de ander te betekenen, beiden hebben elkaar nodig en kunnen elkaar aanvullen. Heel wat experts, zoals bijvoorbeeld Bardoel, geloven dat twee soorten journalistiek zullen ontstaan. Enerzijds de puur informatieve journalistiek (orienting journalism), die door online media zal worden uitgevoerd. Anderzijds de eerder duidende journalistiek (instrumental journalism), die door traditionele media zal worden uitgevoerd. [4]

Mij lijkt, net zoals Frank De Graeve, het bannen van het pure nieuws uit de traditionele media misschien wel een stap te ver. Zonder nieuws, maar enkel met duiding en opinie, is een nieuwsmedium nu eenmaal geen nieuwsmedium… Maar zoals Frank De Graeve opmerkt kan een gezonde wisselwerking tussen nieuwe en traditionele media de kwaliteit van het nieuws wel ten goede komen. Nieuwe en sociale media zijn namelijk het best geschikt voor het kort en krachtig verspreiden van het pure nieuws. Op die manier wordt de nood aan het brengen van dat pure nieuws (niet overbodig maar wel) minder groot voor de traditionele media, en kan daar misschien (opnieuw) wat meer tijd en ruimte besteed worden aan de echte, diepgravend onderzoeksjournalistiek die de laatste jaren aan lagerwal is geraakt.

Bronnen

[1] De Graeve, F. (2012) Journalistiek in 2013 [gastcollege] [powerpointpresentatie]. Brussel: Hogeschool-Universiteit Brussel.

[2] Redden, J. & Witschge, T. (2010). “A New News Order? Online News Content Examined.” In New Media, Old News: Journalism and Democracy in the Digital Age. Ed. Fenton, N. Geraadpleegd via http://books.google.be/

[3] Chyi, H.I. (2001). “The Medium is Global, the Content is Not: The Role of Geography in Online Newspaper Markets.” The Journal of Media Economics 14.4: 231-248.

[4] Deuze, M. (2003). “The web and its journalisms: considering the consequences of different types of newsmedia online.” New Media & Society 5.2: 203-230.

Sociale media en (n)etiquette: Mind your manners, please!

Uit voorgaande blogs is de immense populariteit van sociale media reeds gebleken. Niet enkel particulieren, maar ook bedrijven en ook journalisten maken er steeds gretiger gebruik van. Vaak worden sociale media (weblogs, Twitter, Facebook, LinkedIn, Google+, enz.) lovend onthaald omwille van de democratiserende en participerende mogelijkheden die deze platforms bieden. Toch kennen sociale media ook nog heel wat pijnpunten, die steeds vaker op negatieve wijze benadrukt worden in de media. Tijdens een gastcollege over zijn nieuwe boek Niet leuk? op de Hogeschool-Universiteit Brussel belichtte Ben Caudron, socioloog en nieuwe mediaexpert, ook enkele pijnpunten van sociale media. Zo benadrukte Caudron o.a. de grote macht die sociale mediabedrijven hebben over de normen en waarden van hun gebruikers. Naar aanleiding van dit standpunt zal ik in deze blog de verschillende facetten van de relatie tussen sociale media en sociale normen en waarden kort proberen te belichten.

Opgelegde normen en waarden

O_Niet-leuk_LR-copyBen Caudron benadrukt sterk dat sociale mediabedrijven teveel macht verworven hebben en hun gebruikers eigenlijk zijn gaan onderwerpen aan hun wil. In een interview met StampMedia legt Caudron bijvoorbeeld uit dat sociale mediabedrijven de privacy van hun gebruikers doorgaans niet ten volle respecteren omwille van commercieel eigenbelang:

“Absoluut niet. Facebook, Twitter en Google zijn mediabedrijven die er alle belang bij hebben om zo veel mogelijk van onze data te verkrijgen. Wij, de gebruikers, zijn het vlees in de etalage.”

Daarnaast is Caudron ook van mening dat sociale mediabedrijven, zoals Facebook en Twitter, steeds vaker normen en waarden aan hun gebruikers gaan opdringen. Sociale mediabedrijven gaan volgens Caudron in feite aan censuur doen wanneer zij de door hun gebruikers gedeelde informatie gaan filteren op dingen die zij onaanvaardbaar vinden. Ook deze mening benadrukte Caudron in het interview met StampMedia:

“Moet alles kunnen? Neen. Maar wie bepaalt wat kan en wat niet kan? Mijn standpunt is dat dat op een lokaal niveau moeten gebeuren. Waar halen die puriteinse Amerikanen het lef vandaan om in onze plaats te beslissen wat wij mogen zien?”

Hoewel Ben Caudron tegen de inmenging van sociale mediabedrijven lijkt te zijn, is hij toch niet van mening dat alles vrij moet kunnen circuleren op sociale mediasites. Volgens hem is het noodzakelijk dat regels m.b.t. het gebruik van sociale media op lokaal niveau moeten worden vastgelegd. Waarom op lokaal niveau? Normen en waarden zijn opvattingen en regels over wat gepast is en wat niet gepast is binnen een bepaalde samenleving. Normen en waarden zijn dus gebonden aan tijd en plaats en zijn bijgevolg ook dynamisch. Ze kunnen op verschillende plaatsen en/of op verschillende tijdstippen van elkaar verschillen. Daarom is het volgens Caudron niet geoorloofd dat één welbepaald mediabedrijf, dat voorkomt uit één welbepaalde samenleving, gepaste normen en waarden gaat bepalen voor al zijn gebruikers wereldwijd.

Eigen normen en waarden

netiquette

De relatie tussen sociale media en normen en waarden is al op heel wat verschillende manieren belicht. In 2011 deden Caitlin McLaughlin en Jessica Vitak onderzoek naar de werking van normen en waarden onder Facebookgebruikers. Hun onderzoek belicht het bestaan van een zogenaamde online etiquette of netiquette. Hun belangrijkste algemene bevindingen over deze netiquette m.b.t. de sociale mediasite Facebook zijn de volgende:

  1. Facebookgebruikers passen doorgaans de belangrijkste normen en waarden uit het alledaagse offline leven toe tijdens hun onlineactiviteiten. Beleefdheid en respect is voor de meesten dus ook online belangrijk.
  2. Facebookgebruikers leren ook aanvoelen wat gepast is en wat niet gepast is op Facebook door te kijken naar en zich te spiegelen aan de gedragingen van hun vriendenkring op het net.

McLaughlin en Vitak wijzen er ook op dat er verschillende netiquettes bestaan, dat de gebruikelijke normen en waarden deels verschillen naargelang de specificaties en werking van de gebruikte sociale mediasite. Met andere woorden, er zijn verschillen tussen wat gepast gedrag is op Facebook en wat gepast gedrag is op Twitter. Hoewel McLaughlin en Vitak vaststellen dat voor de meeste sociale mediagebruikers de toepasselijke normen doorgaans impliciete (niet uitgeschreven, maar eerder automatisch begrepen) normen zijn, bestaan er op het web ook heel wat uitgeschreven richtlijnen of netiquettes voor allerlei verschillende sociale mediaplatforms. Op haar blog communictyorganizer2.0 verzamelde sociale mediastrateeg Debra Askanase bijvoorbeeld enkele websites die de waarden en normen (the do’s en don’ts) voor allerlei verschillende sociale mediasites en/of sociale mediaplatforms uitschrijven.

Aangetaste normen en waarden

Naast de mening dat sociale mediabedrijven ons hun normen en waarden opleggen en de mening dat sociale mediagebruikers voornamelijk bezig zijn met het ontwikkelen van hun eigen normen en waarden, heerst ook nog de mening dat de komst van sociale media onze sociale normen en waarden in het dagelijkse leven veranderd hebben. Deze mening wordt bijvoorbeeld geuit in een blogbericht van online communities expert Chris Pirillo: “I have realized that the advent of social networking sites has shifted what our perception of acceptable practices are.”

tabletablet

Chris Pirillo ging nadenken over de invloed van nieuwe en sociale media op onze sociale normen en waarden in het dagelijkse leven naar aanleiding van TechCrunch-columnist MG Siegler’s bericht ‘I Will Check My Phone At The Dinner Table And You Will Deal With It’ over het steeds frequentere gebruik van gsm’s en smartphones aan tafel en op restaurant. Chris Pirillo merkt op dat nieuwe en sociale media haast onopgemerkt onze sociale normen en waarden zijn gaan veranderen:

“I was shocked, then, when several of my friends whipped their phones out during the meal… and when I caught myself doing it, as well. I hadn’t even thought about it. I realize now that I’ve been doing it for quite a while. I surreptitiously looked around the dining room and noticed that nearly half of the people sitting at tables were talking to those around them – and were also checking things on their phones. When the heck had we become so blase about what is considered to be acceptable? How did things like this become our social norms?”

Pirillo merkt ook op dat nieuwe en sociale media onze manier van communiceren sterk veranderd hebben:

“I have realized that the advent of social networking sites has shifted what our perception of acceptable practices are. Take a look through your Twitter stream. There are things said in less than 140 characters every few seconds which many of us would never have said in public up until recently. We may be interacting with the same crowd via Twitter, but the way in which we communicate has most definitely shifted.”

Voor Pirillo is deze evolutie verrassend (omdat ze zich bijna onopgemerkt lijkt voor te doen), maar daarom niet noodzakelijk negatief. Pirillo lijkt van mening te zijn dat onze sociale normen en waarden dankzij nieuwe en sociale media steeds meer vrij en meer open worden, en dat dit een positieve (misschien zelfs noodzakelijke) evolutie is:

“I believe that sites such as Facebook, Twitter, Quora and others have not only changed the way we connect to others, they have also given us a new outlook as to what should be socially acceptable. Putting ourselves out there in the public space allows us to be more real – it takes away the stigma of meeting someone in person. We are much more relaxed when we communicate online and therefore more open, as well.”

Besluit: sociale media staan nog in hun kinderschoenen

Net zoals op andere vlakken kunnen m.b.t. de relatie tussen sociale media en sociale normen en waarden heel wat verschillende, vaak tegenstrijdige, zaken en meningen worden vastgesteld. Sociale media lijken dus over het algemeen zowel positieve als negatieve evoluties teweeg te hebben gebracht. Dat sociale media op allerlei vlakken steeds zowel positieve als negatieve reacties uitlokken, heeft waarschijnlijk heel wat te maken met het feit dat ze nog relatief nieuwe media zijn. Zowel de scheppers als de gebruikers van sociale media moeten nog de kans krijgen om zich verder te ontplooien. Zoals ook Ben Caudron aangeeft is technologie op zich noch goed noch slecht. Het effect van technologie hangt telkens af van hoe de mens het gaat gebruiken. Wanneer het op sociale media aankomt, merkt ook Ben Caudron op dat wij tot op heden nog niet zo efficiënt en talrijk gebruik maken van het grote potentieel van sociale media. Wat niet is, kan natuurlijk nog komen…

Bronnen

[1] Caudron, B. (2012). Niet leuk? [gastcollege]. Brussel: Hogeschool-Universiteit Brussel.

[2] McLaughlin, C. & Vitak, J. (2011). “Norm evolution and violation on Facebook.” New Media & Society 14.2: 299-315.

Op zoek naar informatie of nieuwtjes? Snel even googelen…

google

Ik googel, jij googelt, iedereen googelt

Wanneer je het werkwoord “googelen” even… googelt kom je al snel op een wikipediapagina terecht die je de volgende informatie geeft:

Googelen of googlen is volgens de Dikke van Dale het zoeken naar informatie op Internet. De werkwoorden worden met een kleine letter g geschreven. Het Amerikaanse bedrijf Google is het echter niet eens met deze uitleg en stelt dat het alleen kan met gebruik van de zoekmachine Google. Omdat Google de meestgebruikte zoekmachine is, wordt googelen sterk gerelateerd aan Google, waar het werkwoord zijn herkomst aan dankt.

‘Het is belangrijk dat we ons merk beschermen. Als mensen spreken over googelen willen we zeker weten dat ze bedoelen zoeken met Google en niet met een andere zoekmachine’, zei merkrechtadvocaat Rose Hagan van Google op 15 augustus 2006.”

Je zou je kunnen afvragen of bovenstaande klacht van het Amerikaanse bedrijf Google eigenlijk wel nodig is. Voor vele mensen staat informatie zoeken op het internet namelijk gelijk aan informatie zoeken via de zoekmachine Google. Hoewel er heel wat zoekmachines bestaan, zijn er maar weinig goed gekend door het brede publiek, en geen enkele zoekmachine is zo goed gekend of wordt zo vaak gebruikt als Google.

comscore-september-line

Bovenstaande tabel, uit een artikel op de media- en technologiewebsite techcrunch.com, illustreert de gigantische voorsprong van Google op andere bestaande zoekmachines. In de Verenigde Staten worden zo’n 66% van de zoekopdrachten uitgevoerd via Google. Ook bij ons is dit niet anders. Google is wereldwijd de meest gebruikte zoekmachine, die de concurrentie steeds ver achter zich laat.

Ook journalisten googelen

Het onderzoek van Machill, Beiler en Gerstner toont aan dat het internet een belangrijke journalistieke tool geworden is. Het nieuwsgarings- en onderzoekingswerk van de door hen ondervraagde (Duitse) journalisten wordt voor bijna de helft (47%) via de computer en het internet uitgevoerd. Machill en co stellen ook vast dat het internet en/of computergestuurde research tools zeer efficiënt bevonden worden voornamelijk omdat ze tijdsbesparend werken. Ze stellen namelijk vast dat computergestuurde research tools vaker en voor minder lange periodes gebruikt worden dan de traditionele research tools.

Volgens Machill, Beiler en Gerstner zijn zoekmachines vandaag de dag de allerbelangrijkste en vaakst gebruikte computergestuurde research tools voor journalisten. Uit hun onderzoek blijkt dat ook onder journalisten Google de meest gebruikte zoekmachine is: “Google accounts for 90.4 of the frequency of the search-engine research.” Machill en co zijn er echter niet van overtuigd dat deze evolutie de journalistiek geheel ten goede komt:

“Search engines are by far the most important research tools. Almost half of the research actions (43.7 percent) relating to searches for additional sources by journalists are influenced by search engines. Consequently, search engines in general and Google in particular have a decisive effect on the entire course of research, at least within the area relating to scope-extension research.”

In hun onderzoek stellen Machill en co dan ook volgend fenomeen vast: “the Google-ization of [journalistic] research”. Volgens hen houdt het gebruik van zoekmachines (en eigenlijk ook het van internet in het algemeen) vaak het risico in dat een vervorming van de realiteit optreedt. Deze vervorming is het gevolg van de manier waarop zoekmachines werken:

“A distortion of reality can occur during the use of search engines in particular because their ranking and updating algorithms are highly selective: certain websites – and, as a result, the information and opinions contained there – have no chance of being listed in perceptible ranking positions. In addition, numerous sites are only updated by search engines on an irregular basis (Lewandowski, Wahlig and Meyer-Bautor, 2006).”

Het fenomeen “Google-ization” slaat dan nog eens op het feit dat doorgaans enkel beroep wordt gedaan op één bepaalde zoekmachine (van één bepaalde corporatie die ook steeds een eigen “agenda” heeft) waardoor het probleem van de vervorming van de realiteit enkel versterkt wordt: “These problems are amplified by search engines as a result of the risk posed by dependence on a single search engine (‘Google-ization’).”

Hoewel bijna alle ondervraagde journalisten het internet beschouwen als nuttig en noodzakelijk voor hun werk, stellen Machill, Beiler en Gerstner ook vast dat een grote meerderheid van diezelfde journalisten zich bewust is van mogelijke problemen die het internet heeft geïntroduceerd binnen de journalistiek:

“79.1 percent agree in full or in part that the pressure on journalists to be up-to-the-minute has increased as a result of the Internet, 61.3 percent state that, due to the Internet, the selection of information is more important than the acquisition of new information and 53.6 percent that journalistic quality suffers as a result of everyone being able to disseminate information via the Internet.”

Ten slotte, stellen Machill en co vast dat de ondervraagde journalisten zoekmachines als essentiële tools voor hun werk beschouwen omdat deze “rapid and cost-effective research” mogelijk maken. Tegelijkertijd geven de meeste van diezelfde journalisten ook aan dat ze niet geloven dat zoekmachines neutrale zoekresultaten opleveren.

Het onderzoek van Machill, Beiler en Gerstner onthult dus een zekere discrepantie tussen de persoonlijke mening van journalisten over het internet en zoekmachines als Google en hun gebruik van deze tools voor professionele doeleinden. Bijgevolg besluiten Machill en co dan ook dat “the dominant attitude towards these research tools is one of pragmatism.” Als meest waarschijnlijke oorzaak van deze pragmatische houding wijzen Machill en co naar de hoge werk- en productiedruk en de economische problemen binnen de journalistieke sector. Opmerkelijk is ook dat deze problemen binnen de journalistieke sector net voor een groot deel veroorzaakt werden door de komst van het internet.

Bronnen

[1] Machill, M., Beiler, M. & Gerstner, J. (2008). “How do journalists do research on the internet?” Conference Papers – International Communication Association, 2009 Annual Meeting: 1-27.

E-democratie belemmerd: regulering en controle van het internet in China

internetcensuurIn de voorgaande blog werd de idee van digitale democratie, de idee dat gebruik van het internet politieke participatie kan verhogen, reeds belicht m.b.t. overheden die de komst van het internet en al diens mogelijkheden proberen te integreren in hun manier van werken. Er zijn echter ook heel wat overheden, zoals bijvoorbeeld de Chinese overheid, die de komst van het internet en al diens mogelijkheden tot op zekere hoogte ook trachten te weren.

De sterke opkomst van het internet in China

Volgens Jinqui Zhao werd het internet in China positief onthaald omwille van de mogelijkheden die het bood voor het verder opwaarderen van de Chinese economie. Zhao wijst erop dat de komst van het internet echter niet alleen de Chinese economie van dienst was, maar ook het Chinese volk, de Chinese samenleving in het algemeen: “It has revolutionized the ways Chinese communicate and interact.” Uit schrik dat de komst van het internet de stabiliteit van de Chinese regeringswijze zou aantasten, introduceerde de overheid in 1996 al snel enkele internetreguleringen en instanties die bevoegd waren met het constante controleren en censureren van het internet.

In het artikel “How China pursues its internet control obsession” van Reporters Without Borders wordt vermeld dat het internetgebruik in China de laatste jaren immens is gestegen: “China now has half a billion Internet users.” Ook wordt vermeld in dit artikel dat “microblogging” zeer populair is geworden in China: “Facebook and Twitter are censored but Sina Weibo, the Chinese microblogging website, has more than 200 million users.” In hun jaarlijks rapport merkt de organisatie Reporters Without Borders op dat de toenemende populariteit van het internet in China ook gepaard gaat met een steeds strengere toename van het reguleren en censureren van het internet. In de “worldwide press freedom index” van Reporters Without Borders scoort China dan ook zeer slecht. China staat slechts op de 174 plaats van de 179 geïndexeerde landen, en Reporters Without Borders bestempelt de problemen omtrent persvrijheid er als volgt: “very serious situation”.

De reactie van de Chinese overheid: internetcensuur

De organisatie Reporters Without Borders stelt vast dat de controle en regulering van het internet in China door de jaren heen steeds strenger is geworden. In het artikel “How China pursues its internet control obsession” geeft de organisatie een opsomming van een aantal acties die de Chinese regering onderneemt om vrije meningsuiting op het internet in te tomen.

internetcensuur China

Ten eerste, wordt het internet in China afgeschermd door de zogenaamde “Great Firewall”. Dit houdt in dat in China in principe enkel die inhoud goedgekeurd die door overheidsinstanties via het internet beschikbaar wordt gesteld.

Ten tweede, bestaan er in China verschillende instanties die instaan voor de bewaking van het internet. Deze instanties houden zich dus dagelijks bezig met het controleren van de inhoud die op het internet wordt geplaatst. De Chinese overheid geeft aan op deze manier het internet te willen zuiveren van alle foutieve en immorele elementen. De organisatie Reporters Without Borders benadrukt eerder dat de Chinese regering het internet wil controleren en censureren om alle subversieve meningen te onderdrukken en zo de macht te behouden. Volgens Reporters Without Borders is de Chinese overheid gekend om het organiseren van “orchestrated […] cyberattacks”en “state-sponsored hacking campaign[s]” wanneer informatie vrijkomt of dreigt vrij te komen die de status van de overheid zou kunnen ondermijnen.

Ten derde, probeert de overheid zoveel mogelijk de verkoop en het gebruik van VPN’s (Virtual Private Networks) te verhinderen of af te raden. De overheid is geen voorstander van dit soort “private” verbindingen, omdat ze internetgebruikers de mogelijkheid bieden om ook buiten het afgeschermde Chinese web te surfen.

Ten slotte, vermelden Reporters Without Borders ook nog enkele andere vormen van internetregulering door de Chinese overheid:

  • Arrestaties en veroordelingen van (andersdenkende) internetburgers.
  • Mensen die een Wifi -verbinding hebben of aanbieden verplichten zeer dure “user tracking software” te kopen.
  • Mensen die gebruik maken van “microblogs” verplichten hun echte naam te gebruiken als schermnaam.

Het internet brengt hoop voor de toekomst

Ook Zinqui Zhao herkent de strenge controle en regulering van het internet die de Chinese regering uitvoert. Volgens Zhao zal de Chinese regering er echter nooit in slagen het internet volledig onder controle te krijgen, en zal de zogenaamde “subversive content” zich alsnog onder het volk verspreiden via het internet. Zhoa lijkt toch nog sterk overtuigd van de democratische mogelijkheden die het internet biedt:

“Despite the Chinese government’s determination of tightening its control over the Internet, the new medium poses challenges to such censorship because of its unique features. Ang & Nadarajan (1997) contended that the freedom and openness are imbedded into the Internet culture, which make the Internet different from earlier media platforms.”

Volgens Zhoa zijn er dus enkele essentiële verschillen tussen de nieuwe en de traditionele media die het onmogelijk maken voor de Chinese overheid om de nieuwe media ooit volledig onder controle te krijgen:

  1. De hoeveelheid aan verspreide en gedeelde informatie via het internet groeit aan zo’n razendsnel tempo, dat het nooit helemaal bij te houden valt.
  2. De Chinese wetgeving heeft geen vat op de inhoud die afkomstig is van buitenlandse websites, en ondanks alle reguleringen worden ook deze in China geraadpleegd.
  3. Nieuwe technologieën ontwikkelen zich zo snel dat de reguleringen van de overheid zich nooit op tijd kunnen aanpassen om de voor hen mogelijks bedreigende mogelijkheden die deze technologieën beiden te voorkomen.

Zhoa besluit dat de Chinese overheid het internet dus toch niet volledig naar haar hand heeft kunnen zetten (zoals wel het geval is met de traditionele media). Hij wijst erop dat via het internet steeds vaker druk wordt uitgeoefend op de overheid en de traditionele media die de waarden van de overheid dienen uit te dragen:

“[T]he acceptable reportage boundaries have been pushed farther by small news websites, which make national organizations follow suit. The public often log in to find exclusive stories and most up-dated news, which can hardly be expected from traditional media. The negative news stories are frequently disclosed on the web portals first, and then the government and state media are compelled to make quick responses.”

Zhoa geeft hier ook een zeer interessant voorbeeld:

“For instance, during SARS outbreak in 2003, the state-controlled mouthpiece may tamely follow the orders issued by the government, but the proliferation of the Internet and other new high-tech information sources provide the public with new channels of communication. The leaking of information via the Internet and great social anxiety caused by rampant rumors forced the central government to readjust its strategy in handling the SARS crisis (Zhao, 2003).”

Bronnen

[1] Zhao, J. (2008). “A Snapshot of Internet Regulation in Contemporary China: Censorship, Profitability and Responsibility.” China Media Research 4.3: 37-42.

Digitale democratie of nie(t)?

De komst van het internet zorgde voor zo grote veranderingen in onze samenleving dat het al snel kon rekenen op zowel fervente voorstanders (utopisten genaamd) en fervente tegenstanders (neo-luddisten genaamd). De utopisten loven het internet en de nieuwe media omwille van hun inherente democratische eigenschappen. [1] Zij introduceerden de idee dat het internet zou leiden tot grotere politieke participatie en het pad zou effenen voor de ideale vorm van democratie, namelijk directe democratie. Dit is ook waar de term digitale democratie naar verwijst, “het gebruik van nieuwe media voor het verhogen van politieke participatie.” [2]

digital democracy

Maar is het internet in staat om deze hoge verwachting ook echt te vervullen?

Nieuwe media: democratische troeven

Volgens Hindeman zijn nieuwe media democratisch omdat ze de politieke stem van de gewone burger op allerlei manieren verspreiden en versterken. [1] De komst van het internet gaat namelijk gepaard met een grotere en vlottere toegang tot informatie, de mogelijkheid tot open en vrije discussie op grotere schaal en de mogelijkheid tot makkelijker en vlotter contact tussen verschillende personen of partijen. Al deze elementen kunnen bijdragen tot het verhogen van politieke participatie. Zo is dankzij het internet een vlotter en groter contact tussen de overheid en het volk mogelijk. De overheid kan het internet gebruiken om sneller belangrijke informatie te verspreiden onder het volk. Het volk kan ook gebruik maken van het internet om met de overheid in contact te komen of zelfs om met de overheid te discussiëren en overleggen. Het internet draagt, zoals Vineet Kaul zegt, bij tot meer transparantie in de politieke processen, en deze grotere transparantie kan de drempel tot politieke participatie verlagen.

Nieuwe media: democratische proeven

Hoewel Vineet Kaul ervan overtuigd is dat de grotere en vlottere toegang tot informatie via het internet gezorgd heeft voor meer transparantie in politieke processen, is hij er niet van overtuigd dat het internet automatisch leidt tot een verhoging van politieke participatie in de maatschappij.

Ten eerste bemerkt hij dat de overvloed aan informatie op het internet ook een negatief effect kan hebben. Het kan zorgen voor meer inzicht en begrip, maar ook kan het overweldigend en verdovend werken: “New media pacifies the public with an abundance of information, denying any practical and agentive political action.” Ook bendrukt Kaul dat het internet niet enkel bol staat van “information”, maar ook van “misinformation”. In tegenstelling tot de traditionele media, staan de nieuwe media toe dat foutieve informatie vaak ongecontroleerd kan circuleren.

Ten tweede stelt Kaul vast dat de vlottere communicatiemogelijkheden, en ook zeker de participatiemogelijkheden, die het internet biedt nog niet ten volle benut worden door overheden. Hij stelt met andere woorden dat de zogenaamde “e-government”, de overheid die gebruikt maakt van het internet en allerhande nieuwe media, nog heel wat tekortkomingen heeft:

“[S]o far, the internet’s civic potential has been greater than its reality. Although a number of innovative initiatives have been developed, the internet has not yet become an ordinary tool for public participation in the political sphere.”

In The Economist deelt men diezelfde mening. In een speciaal rapport over technologie en de overheid wordt geschreven dat “e-government has barely begun to scratch the surface of what is possible.” Vele inspanningen met betrekking tot “e-governance” worden door The Economist als te oppervlakkig bevonden:

“Giving out politicians’ personal e-mail addresses does not make them any more likely to read the result. Gordon.brown@no10.gsi.x.gov.uk, or president@whitehouse.gov make the recipients seem more accessible, but the message will probably be answered by a computer.”

Ook bovenstaand filmpje, dat het proces van “e-governance” probeert uit te leggen, illustreert de nog bestaande tekortkomingen van dat proces. In dit filmpje wordt “e-governance” duidelijk gezien als het wegwerken van de rompslomp en omslachtige processen die papieren (een niet elektronisch medium) met zich meebrengen. Het wegwerken van die elementen die politieke participatie volgens Kaul in de weg staan – namelijk ontoereikende educatie van burgers, lusteloosheid van burgers en ontoereikend contact tussen burgers en hun politieke vertegenwoordigers – lijken op dit moment dus nog minder aan de orde.

Ten slotte vestigt Kaul de aandacht op een probleem dat ook op grotere schaal digitale democratie in de weg staat, namelijk het probleem van de digitale kloof tussen rijk en arm, hoogopgeleid en minder hoogopgeleid, etc. Zo toont de studie van Jen Schradie, een doctoraatstudente sociologie aan de UC Berkeley, aan dat tot op heden het internet voornamelijk beschikbaar  is voor en gebruikt wordt door mensen van een hogere socio-economische status. Hoe hoger opgeleid hoe beter en vaker men het internet blijkt te kunnen gebruiken.

Studie Schradie

Bronnen

[1] Kaul, Vineet. (2012). “Are new media democratic?” Global Media Journal 5.1: 1-19.

[2] Verschooten, Chris. (2012). Nieuwe media en democratie: naar een democratisch Utopia? [powerpoint]. Brussel: Hogeschool-Universiteit Brussel.