Information overload: de nieuwe kwaal van deze tijd?

Uit voorgaande blogs is reeds gebleken dat de komst van de nieuwe media veel veranderd heeft in onze wereld. Nieuwe technologieën ontwikkelen zich aan een razendsnel tempo. Het aanbod aan technologische nieuwigheden en mogelijkheden wordt steeds groter en moeilijker bij te houden.

Het internet: een overweldigende bron van informatie

Één van de dingen die de komst van het internet aanzienlijk heeft doen toenemen is de informatiehoeveelheid. Dankzij het internet staat er de dag van vandaag heel veel informatie  makkelijk en snel ter onze beschikking. Volgens velen hebben het internet en de nieuwe media dan ook gezorgd voor een information overload, een te veel aan informatie. In zijn artikel ‘Information overload: A recurring fear’, verwijst Matt Novak bijvoorbeeld naar auteurs als Alvin Toffler en Ben Bagdikian, die beiden de impact van nieuwe media en het teveel aan informatie in onze huidige samenleving bespreken.

Alvin Toffler is de auteur van het boek Future Shock uit 1970, waarin de (toekomstige) impact van de snelle ontwikkeling van nieuwe technologieën besproken wordt. Toffler definieert in zijn boek een fenomeen dat hij future shock noemt: “the dizzying disorientation brought on by the premature arrival of the future.” Toffler schreef ook dat dit wel eens de meest belangrijke kwaal of aandoening van de toekomst zou kunnen worden. In het boek bespreekt Toffler ook het fenomeen van information overload. Hij legt het effect van de vele nieuwe ontwikkelingen namelijk als volgt uit: “Just as the body cracks under the strain of environmental overstimulation, the ‘mind’ and its decision processes behave eratically when overloaded.”

Ben Badgikian schreef in 1971 een futuristisch essay waarin de onuitputtelijke mogelijkheden van nieuwe media als televisie en computer besproken worden. Bagdikian schreef in dit essay dat de vele nieuwe en snelle ontwikkelingen heftig zouden botsen met het vermogen van de menselijke geest om informatie te verwerken. Hij was daarom ook van mening dat “the disparity between the capacity of machines and the capacity of the human nervous system is not a small matter in the future of communications.” En inderdaad, het fenomeen van de information overload werd een veelbesproken thema.

Anderen, zoals Matt Novak zelf, wijzen er dan weer op dat een gevoel van overload bij het opduiken van nieuwe ontwikkelingen eigen is aan de mens: “Whether it is the arrival of books, TV channels or Twitter, data deluge fears have gripped every generation, it seems.” Novak ontkent hiermee niet dat de laatste jaren nieuwe ontwikkelingen zich steeds sneller en sneller hebben opgevolgd, maar hij is wel van mening dat men er niet noodzakelijk paniekerig op hoeft te reageren. Hij wijst er ook op dat, in het huidige brede aanbod aan (nieuwe) media, we onze mediaconsumptie nog steeds in eigen handen hebben. We kiezen zelf of we de televisie aan of uit zetten, of en wanneer we Twitter of Facebook gebruiken, enzovoort.

Een andere interessante mening wordt vermeld in het artikel ‘Are we on information overload?’ van Thomas Rogers. Daarin wordt verwezen naar het volgende citaat van Clay Shirky: “There’s no such thing as information overload – only filter failure.” Shirky suggereert dus dat het probleem niet zozeer de grote hoeveelheid aan informatie beschikbaar op het internet is, maar eerder de manier waarop de mens met die informatie omgaat. Niet iedereen is namelijk even bekwaam in het filteren van – het gericht zoeken en selecteren in – die grote hoeveelheid aan informatie. Op dit punt lijkt het mij interessant ook de journalistiek bij dit onderwerp te betrekken. Ook journalisten maken gretig gebruik van het internet als informatiebron, maar zijn zij daarom noodzakelijk ook bekwame “filteraars”?

Het internet: ook een (overweldigende) bron van informatie voor de journalist

In het essay “De krant als baken in een zee van overvloed?” uit 1999, bespreekt Harry Lockefeer de invloed van de komst van nieuwe media op de positie van de krant. Lockefeer merkt op dat “de komst van elektronische informatievormen knaagt aan de machtige positie van het dagblad als informatiebron.” Hij stelt bijvoorbeeld vast dat mensen steeds vaker informatie opvangen op andere wijzen aangezien er “media in overvloed” is. Toch is hij van mening dat het dagblad niet snel zal verdwijnen als mediavorm, en wel om de volgende reden:

“De kernfunctie van de krant is ordening. De stortvloed van nieuws en andere informatie die dagelijks over de wereld gaat en die voor de gewone burger niet te volgen en laat staan te wegen is, wordt door de krant overzichtelijk samengebracht en van context voorzien.”

Lockefeer beschrijft het zoeken, selecteren, beoordelen en orderenen van informatie en/of nieuws dus eigenlijk als de oeroude kerntaken van de journalist. Je zou er dus kunnen van uitgaan dat journalisten heel behendige informatieverzamelaars en -verwerkers zijn, en dat zij bijgevolg ook in het gebruik van het internet voor het verzamelen van informatie, voor nieuwsgaring, vrij behendig zijn.

Toch blijkt uit een  onderzoek naar het bronnengebruik van Vlaamse beroepsjournalisten uit 2008 (dat werd opgenomen in de powerpoint behorende bij het college van professor Hedwig De Smaele op 9 november 2012) dat dit in de praktijk niet echt het geval is. Het onderzoek toont aan dat 59% van de ondervraagde journalisten dagelijks gebruik maakt van het internet om er zelf op zoek te gaan naar informatie. Ook maakt 38% van de ondervraagde journalisten dagelijks gebruik van elektronische archieven als Mediargus. Daartegenover staat dan wel het opmerkelijke feit dat 45% van de in 2008 ondervraagde journalisten nooit of slechts sporadisch beroep doet op primaire bronnen zoals oorspronkelijke teksten en rapporten, die evenwel vaak via internet makkelijk en snel beschikbaar zijn.

Het onderzoek naar het bronnengebruik van Vlaamse beroepsjournalisten uit 2008 heeft dus aangetoond dat het internet een belangrijke bron van informatie geworden is binnen de journalistiek, maar dat het gebruik ervan door journalisten niet optimaal is. De onderzoekers stelden namelijk vast dat:

  • Het internetgebruik van journalisten vrij beperkt blijft, voornamelijk tot e-mailen, googlen en surfen naar bekende websites.
  • Het internet vooral als een soort ‘archief’ gebruikt wordt door journalisten. Het wordt vooral gebruikt om andere media te volgen, om snel contactgegevens te zoeken en voor het raadplegen van naslagwerken (encyclopedieën, woordenboeken, etc.).

Bronnen

[1] Lockefeer, H. (1999). “De krant als baken in een zee van overvloed?” In Media in overvloed. Van Cuilenbrug, J., Neijens, P. en Scholten, O. (red.). Amsterdam: Amsterdan University Press, 54-66.

[2] De Smaele, H. (2012). Nieuwsgaring: bronnen van het nieuws [powerpoint]. Brussel: Hogeschool-Universiteit Brussel.

Advertenties

#mediaconvergentie: twitteren voor journalisten

Belgische journalisten en sociale media

In mei publiceerde het communicatiebedrijf Quadrant Communications de volgende twee persberichten: ‘Meerderheid Belgische journalisten gebruikt Twitter’ en ‘Belgische journalist niet bang voor toekomst’. In deze persberichten worden de resultaten van de derde journalistenenquête van Quadrant Communications bekend gemaakt.

Uit de bovenstaande presentatie, en de twee (bijbehorende) persberichten, blijkt dat de sociale media platforms Twitter, Facebook en LinkedIn de laatste jaren een heuse opmars hebben gemaakt binnen de professionele journalistieke sector. De journalistenenquête van Quadrant Communications toont aan dat anno 2012 meer dan de helft van de ondervraagde Belgische journalisten Twitter, Facebook en LinkedIn voor professionele doeleinden gebruikt:

  • Twitter: 51% in 2012, tegenover 18% in 2010 en 9% in 2009
  • Facebook: 64% in 2012, tegenover 26% in 2010 en 15% in 2009
  • LinkedIn: 56% in 2012, tegenover 37% in 2010.

 

In deze blog wil ik me vooral buigen over de bruikbaarheid en het nut van het sociale media platform Twitter voor journalisten. Aan de hand van twee wetenschappelijke teksten zal ik de volgende twee vragen proberen beantwoorden:

  1. Op welke manier kan Twitter een meerwaarde betekenen voor de journalistiek?
  2. Op welke manier wordt Twitter gebruikt door journalisten en/of nieuwsorganisaties?

Het nut van Twitter voor de journalistiek

Voor zij die net zoals ik niet echt vertrouwd zijn met sociale media, begin ik met een korte uitleg over wat Twitter nu precies is:

“Twitter, ook wel omschreven als ‘micro-blogging’, is een platform dat mensen toelaat om berichten van maximaal 140 tekstkarakters te posten. De berichten, ‘tweets’ genaamd, zijn beschikbaar voor ‘followers’ die zich hebben geabonneerd op iemands ‘Twitter stream’.” [2] [eigen vertaling]

Op basis van twee onderzoeken uit 2010 over het gebruik van Twitter in de journalistiek (zie Ali Nobil Ahmad en Cory L. Armstrong en Fangfang Gao) vallen vier grote voordelen voor de journalistiek van het sociale media platform Twitter te onderscheiden.

  1. Ten eerste, blijkt Twitter een ideaal medium te zijn voor het snel (vaak op het moment van de feiten zelf) verspreiden van belangrijke informatie. Dit is vooral het geval omdat Twitter een platform is dat wordt gekenmerkt door snelheid (online platform) en beknoptheid (berichten van maximaal 140 tekens), wat ook klare en directe taal vereist.
  2. Ten tweede, is Twitter een handige “research tool” [1] voor journalisten. Omdat het zo’n populair en veelgebruikt medium is, blijkt het bruikbaar voor journalisten voor het verkrijgen van bronnen, bewijsmateriaal en inspiratie (nieuwe ideeën).
  3. Ten derde, blijkt Twitter ook een goed “marketing tool” [1] voor journalisten en nieuwsorganisaties te zijn. Het laat journalisten en nieuwsorganisaties namelijk toe om een veel groter publiek te bereiken en om de populariteit van hun werk en/of organisatie te bevorderen. Dankzij sociale media als Twitter kunnen journalisten en nieuwsorganisaties vandaag de dag niet alleen gewone lezers en online lezers, maar ook nog eens “followers” hebben.
  4. Ten vierde, is Twitter een zeer sociaal en zeer democratisch medium. Het is “user-generated” en geeft nieuwsconsumenten de kans om ook zelf te participeren in het nieuwsgaringsproces. Deze grotere openheid die Twitter introduceert bij journalisten en nieuwsorganisaties kan op zijn beurt dan weer bijdragen tot een groter bereik en een grotere populariteit van de traditionele media.

Ondanks deze grote voordelen, stellen Ahmad, Armstrong en Gao vast dat er aan Twitter ook enkele nadelen voor journalisten verbonden zijn.

  1. Ahmad suggereert dat die (zonet als voordelig vermelde) “burgerparticipatie” er op termijn wel eens toe zou kunnen leiden dat de rol van de journalisten als “fact-finders” bij uitstek onder druk komt te staan. Hij verwacht dat traditionele journalisten een steeds grotere druk zullen voelen om innovatief te zijn en de lezer iets nieuw aan te bieden. Uit het onderzoek van Quadrant Communications over de status van sociale media in de Belgische journalistiek anno 2012 bleek ook effectief dat journalisten steeds vaker het gevoel hebben te leiden onder een toenemende commerciële druk.
  2. Armstrong en Gao vermelden ook de bezorgdheid van velen dat de komst van (nieuwe en) sociale media traditionele journalistieke waarden, zoals verantwoordelijkheid en betrouwbaarheid, heeft aangetast. Ook deze bezorgdheid werd bij de Belgische journalisten vastgesteld door Quadrant Communications. Slechts 20% van de ondervraagde Belgische journalisten is ervan overtuigd dat sociale media de journalistiek verbeterd hebben. Volgens Quadrant Communications rapporteren de “sceptici” voornamelijk kwaliteitsverlies als gevolg van de populariteit van nieuwe technologieën.

Het gebruik van Twitter in de journalistiek

Ondanks de voordelen voor de journalistiek die Twitter kan bieden, sluiten zowel Ali Nobil Ahmad als Cory L. Armstrong en Fangfang Gao hun onderzoeken af met een bedenking over het werkelijke gebruik van Twitter door journalisten en/of nieuwsorganisaties.

Ali Nobil Ahmad besluit zijn onderzoek met de volgende bedenking:

“[F]or all its usefulness as an innovative marketing and research tool for journalists, journalists themselves are a pretty useful source of marketing for Twitter. They appear to promote it at every opportunity, sometimes at the expense of their own work’s quality.”

Tijdens zijn onderzoek stelde Ahmad met andere woorden vast dat journalisten zich eerder zijn gaan bezighouden met het loven en promoten van het nieuwe medium Twitter dan met het gebruiken ervan op een doeltreffende en innovatieve manier.

Ook Cory L. Armstrong en Fangfang Gao hebben tijdens hun onderzoek vastgesteld dat het gebruik van Twitter in de journalistiek nog niet op punt stond in 2010:

“Overall, our results indicate that while these agencies are employing Twitter, they don’t seem to be using it in innovative ways. Twitter allows for instantaneous updates, in a way that print newspapers desperately need to reach their public. It appears that the main use of Twitter is to drive traffic to the news site (86.7% of our sample), and that very few tweets were used to provide breaking news or serve in the social responsibility role, whereas news tweets are used to give consumers information they need to function within society (4.7%).”

De belangrijkste vaststelling die Armstrong en Gao deden, was dus dat in 2010 vele nieuwsorganisaties Twitter voornamelijk gebruikten om mensen naar hun website te lokken. Dit werd vooral gedaan d.m.v. het automatisch verzenden van krantenkoppen naar Twitter, en die krantenkoppen vormden dan een link naar het bijbehorende nieuwsartikel op de website van de nieuwsorganisatie.

Of nieuwsorganisaties ook vandaag nog steeds weinig gebruik maken van de innovatieve mogelijkheden die Twitter te bieden heeft, blijft nu maar de vraag.  Het feit dat Quadrant Communications vaststelt dat, ondanks het sterk toegenomen gebruik van sociale media platforms als Twitter, Facebook en LinkedIn, nog 78% van de Belgische journalisten niet voorzien wordt van duidelijke richtlijnen over het gebruik van sociale media op de werkvloer doet mogelijks vermoeden van wel. Misschien vinden nieuwsorganisaties het niet nodig om afzonderlijke richtlijnen voor het gebruik van dergelijke platforms te voorzien, omdat ze er toch niet op een zeer uitgebreide manier gebruik van willen maken? Misschien volstaat het wel voor nieuwsorganisaties om sociale media te gebruiken als een soort reclame- en promotiemiddel?

Bronnen

[1] Ahmad, Ali Nobil. (2010) “Is Twitter a useful tool for journalists?” Journal of Media Practice 11.2: 145-155.

[2] Armstrong, Cory L. en Gao, Fangfang. (2010) “Now Tweet This: How News Organizations Use Twitter.” Electronic News 4.4: 218-235.